GASTBLOG


“Een woning is toch geen winstfabriek?”

Een bijdrage van Carla Dik-Faber, Tweede Kamerlid ChristenUnie

‘s Avonds laat, als m’n ogen bijna dichtvallen, geef ik toe aan mijn guilty pleasure en scroll ik eindeloos op funda. Op zoek naar die ene droomwoning. Tegelijkertijd denk ik aan starters, voor wie dezelfde zoektocht onmogelijk is. Zij kunnen nauwelijks een plekje veroveren op de woningmarkt. De weinige woningen die te koop staan, zijn onbetaalbaar of vallen in handen van beleggers. Op funda zie ik de prijzen bij wijze van spreken per week stijgen. Voor een huurwoning sta je al gauw tien jaar op de wachtlijst. De politiek heeft veel te lang toegekeken. Er lijkt nu eindelijk schot in de zaak te zitten. Twee voorstellen die ik vorig jaar deed, lijken uitgevoerd te worden. Gemeenten krijgen de mogelijkheid een zelfbewoningsplicht in te stellen (als je een huis koopt, moet je er zelf gaan wonen) en er wordt gekeken naar verlaging of zelfs afschaffing van de overdrachtsbelasting, met een hogere belasting als je meerdere huizen hebt. Dat is noodzakelijk om starters weer een kans te geven tegen het grootkapitaal. Een woning ís toch ook geen winstfabriek? Als je dan je huis hebt, wil je je daar natuurlijk wel thuis voelen. Hoe doe je dat? Een huis is veel meer dan een stapel stenen. Juist in coronatijd ben ik de waarde gaan inzien van mensen die naar elkaar omzien. Er zijn hartverwarmende initiatieven, van boodschappen doen of de hond uitlaten tot een bloemetje bij de buren bezorgen. Mijn buurvrouw opperde het idee van een 1,5 meter borrel, allemaal voor onze eigen voordeur. Een echtpaar op leeftijd, de jonge werkende, studenten, het gezin met opgroeiende kinderen: samen vormen we een gemeenschap. Noaberschap, noemen ze dat elders in het land. Ik geloof dat mensen in gemeenschappen tot bloei komen. Ik wil méér van dit soort plekken van ontmoeting. De overheid moet woningcorporaties of groepen wijkbewoners de ruimte geven om ontmoeting mogelijk te maken: een buurthuis, het delen en repareren van spullen, samen energie opwekken, de buurtauto, creatieve broedplekken en heel veel groen. Want ook dat heeft coronatijd mij laten zien: dat we weer met de natuur moeten gaan leven. Een schutting en groot terras (ga dan in een flat met balkon wonen), twee auto’s voor de deur… dat is allemaal zo 1990. Natuurinclusief wonen kun je zelf creëren met groene daken en gevels, nestkasten voor vogels en vleermuizen, en met bijenvriendelijke bloemen. Goed voor de biodiversiteit, goed voor de luchtkwaliteit en goed voor je eigen gezondheid. En het delen van spullen maakt je leven beslist overzichtelijker. De inclusieve wijk van de toekomst is sociaal, groen en duurzaam. Daar vind ik wel mijn droomwoning.


Delen mag, graag zelfs!