GASTBLOG


Hoe corporaties en overheid kunnen bijdragen aan de eerlijke kans van woonstarters

Een bijdrage van Barend Wind,

adviseur Strategie & Beleid bij woonstichting De Key

Woonstarters die in Amsterdam in aanmerking komen voor sociale huurwoningen (met een inkomen onder 38.000 euro) moeten hiervoor eerst veertien jaar inschrijfduur opbouwen. Ofwel: wie zich op zijn 18e inschrijft, blijft tot zijn 32e bij zijn ouders plakken. Het dereguleren van de woningmarkt heeft de positie van starters verder ondermijnd: koopwoningen worden voor hun neus weggekaapt door investeerders, en pandjesbazen mogen de hoofdprijs vragen voor particuliere huurwoningen.


Bij De Key – met 38.000 woningen in voorraad – kozen we vijf jaar geleden in onze koers gericht voor het huisvesten van woonstarters. Sinds 2016 wijzen we vrijkomende woningen zoveel mogelijk toe aan jongeren onder de 28 jaar (76 procent in 2019). Van al onze woningen blijft voorlopig 75 procent bewoond door reguliere huurders, omdat zij weinig verhuizen. Nieuwe huurders krijgen een vijfjaarcontract. Zij behouden hun wachttijd en bouwen tijdens het huren wachttijd op. Afhankelijk van het inkomen stromen ze hierna door naar een andere huur- of koopwoning. Zo blijven er telkens opnieuw woningen beschikbaar voor degenen die het nodig hebben.


Tussen 2019 en 2022 bouwen we tevens ruim 3.000 kleine woningen in complexen waar woonstarters samenwonen. Uit cijfers over het derde kwartaal van 2019 blijkt dat het aantal woningen dat wordt toegewezen aan jongeren met 40 procent zou verminderen zónder de inspanningen van de Key. Kortom: corporaties kunnen zelf al veel doen voor de woonstarter.

Op de vraag wát corporaties kunnen doen om meer woonstarters een kans te geven, is ons antwoord dus simpel: meer woningen toewijzen aan woonstarters en/of meer jongerenwoningen bouwen. Al weten we dat de uitvoering ingewikkelder is dan het klinkt. Het toewijzen van vrijkomende woningen aan woonstarters gaat ten koste van het aantal beschikbare woningen voor reguliere woningzoekenden. Bovendien zijn de meeste corporaties door hun zwakke financiële positie genoodzaakt een deel van hun bezit te verkopen wanneer ze nieuwe jongerenwoningen willen bouwen.


Het is de extra inzet van de Rijksoverheid die cruciaal is voor én meer jongerenwoningen én kortere wachtlijsten voor reguliere sociale huurders. De invoering van de ATAD-wetgeving zorgde dat corporaties ruim 300 miljoen euro aan vennootschapsbelasting betalen. Geen land ter wereld heeft een belasting op sociale huurwoningen. Corporaties zouden per direct vrijgesteld moeten worden van de vennootschapsbelasting, net als verstrekkers van andere ‘diensten van algemeen economisch belang’, zoals de wegenbouw. Wanneer minister Van Veldhoven beslist om de (ver)huurdersheffing af te schaffen, kunnen corporaties direct twee miljard euro investeren in nieuwbouw, verduurzaming en onderhoud. Dit is een voorwaarde om betaalbare woningen aan te bieden aan een brede groep woonstarters en doorstromers, hetgeen marktpartijen nalaten.


Delen mag, graag zelfs!